Bijziendheid, verziendheid en astigmatisme zijn refractieafwijkingen. Bij het gezonde oog zorgen hoornvlies en lens voor de refractie (de breking) van lichtstralen waardoor er een scherpe afbeelding op het netvlies ontstaat. Wanneer het hoornvlies niet de juiste kromming heeft of de lens heeft niet de juiste sterkte dan wordt dit beeld onscherp. Er wordt in zo’n geval gesproken van een
‘refractie- of brekingsafwijking’.
Bijziende mensen zien dichtbij goed maar slecht in de verte doordat de lichtstralen vóór het netvlies worden gebundeld in plaats van er op. Vaak openbaart bijziendheid zich al in de kinderjaren en stabiliseert het zich tussen het
18e en 25e levensjaar.

Verziende mensen zien dichtbij niet goed maar in de verte juist weer uitstekend. Bij verziendheid is het oog nog geruime tijd in staat het probleem enigszins te verhelpen door te accommoderen ofwel ‘het aanspannen van de lens’. Dit zogenaamde vermogen tot scherpstellen neemt echter af na gemiddeld het 40e levensjaar. Tegelijkertijd neemt dan ook het zien ‘in de verte’ af.
Astigmatisme is een afwijking in de oogbolling waarbij het hoornvlies niet regelmatig gekromd is maar in één richting vlakker is dan in de andere. Dit geeft problemen met zowel het zien in de verte als dichtbij en veelal ook in combinatie met ver- en bijziendheid. Vaak wordt astigmatisme gecorrigeerd met een harde contactlens, een cilindrisch brillenglas of speciale zachte contactlenzen.
|